Derde lezing

Mettavihari Bhikkhu

25 januari 2001

(Vertaling Rien Loeffen)

 

Je kunt nu de tijd nemen om te luisteren. Je hebt al een poos gemediteerd. Hou het voor jezelf duidelijk dat wat ik hier zeg geen actief mediteren is, maar dat dit slechts woorden zijn.

 

Na bijna een week mediteren heb je waarschijnlijk gemerkt dat de hindernissen groter zijn geworden. Dit is een heel natuurlijk proces. Verlangen is een van de hindernissen, een van de bezoedelingen van de zintuigen. Je wilt aangename zintuiglijke impressies hebben, en vanwege dat verlangen kom je in de problemen. Je hebt dit zelf al ervaren. Omdat je bepaalde resultaten verwacht in je meditatie, ga je vergelijken, ga je oordelen. Je vergelijkt je ervaringen met je ervaringen in een vorige retraite en dit vergelijken brengt je in de problemen.

Soms wil je bepaalde dingen kwijt, zoals pijn of mentale beelden. Je wordt gehinderd door bepaalde voorstellingen, innerlijke beelden, verschijnselen van licht, of bepaalde ideeën die je hebt gehad in je leven.

Maar ook vaak genoeg krijg je, terwijl je goed aan het mediteren bent, de resultaten van het vipassanā-proces. We noemen dat vipassanā-ñāna. Je kunt dingen uit je leven zien die je vergeten was, die nu sterk bij je terugkomen.

 

Dit is een resultaat. Ik zei al tegen sommigen van jullie: Wanneer je ziet dat je je karma begint te herkennen, en wanneer je het neemt als het zien van karma uit je verleden, als actie uit het verleden, niets meer dan dat, dan is het alleen maar oorzaak en gevolg. Oorzaak en gevolg van nāma-rūpa Doe je meer dan dat, bijvoorbeeld jezelf ermee analyseren of jezelf ermee manipuleren, dan raak je verzeild in de hindernissen.

Vanwege je beoefening van meditatie hier in de retraite, zie je bepaalde dingen van jezelf, bepaalde patronen in jouw leven, heel helder en duidelijk terugkomen. Er kunnen twee dingen gebeuren. Je bent niet helder en je komt in de hindernissen. Of je bent helder, dan noemen we het vipassanā.

Dingen in het verleden zien maakt dat je gaat verlangen. Nalaten om dat te noteren, wordt in vipassanā gezien als een vervuiling van de geest. Op dit punt moet je snel zijn. Je moet snel zijn, om het te registreren als 'zien', als 'herinneren' of wat het ook mag zijn. De hindernissen worden daarmee verwijderd en hebben geen invloed meer.

Er is het verlangen om met iets of iemand te zijn, of juist niet met iets of iemand te zijn. Ben je geïrriteerd door iets, dan wil je er niet bij zijn en zo wordt dat een hindernis voor je. Soms is het er ook als kwaadheid of afkeer.

Om het duidelijk te maken: Wanneer je afkerig bent van iets wat opkomt in je meditatie, dan is het een hindernis voor je. Om deze obstakels te voorkomen, behoor je te registreren. Registreer je iets waar je afkerig van bent, dan is de hindernis verwijderd.

 

Bij ieder contact van de zintuigen hebben we als mens onmiddellijk een reactie. Bij zien, horen, ook wanneer er iets omgaat in je geest, bij ruiken en bij proeven is je reactie prettig vinden of onprettig vinden. Dit betekent dat je voortgaat met jezelf te conditioneren en dat je niet vrij bent.

 

In de vorige lezing heb ik gezegd dat je je zelf meedraagt, dat je je zelf belast, wanneer je geen vipassanā-meditatie beoefent, omdat je de vijf groepen van bestaan met je meedraagt.

Nu wil ik het eenvoudiger houden. Twee dingen, ieder moment en hier en nu: Is er een voorkeur, wees dan op tijd. Is er een afkeer, wees dan ook op tijd. Op tijd met herkennen en registreren. Registreer je iets wat je prettig vindt, dan betekent dat dat je je er jezelf niet aan ophangt. Registreer je iets wat je onprettig vindt, dan heb je er geen irritaties over. Je bent die reacties dus kwijt. Je hebt geen voorkeur of afkeer en je bent in rust, je hebt vrede. Je bent verbonden met wat we een bovenwerelds bewustzijn noemen.

Gebeurt het dat je een voorkeur voelt voor iets, of geïrriteerd bent en afkerig, dan verstoort het je zuiverheid, verstoort het je rust. Daarom moet je helder blijven. Iedere keer wanneer je het verlangen om ergens bij te willen zijn helder maakt, of het verlangen om ergens niet bij te willen zijn helder maakt, ben je in het proces van vipassanā.

 

Ik zei eerder, dat je de gehele tijd opmerkzaam dient te zijn, en op de juiste tijd. Je bent in staat om voorkeur en afkeer te vermijden omdat je registreert. Er is geen andere manier. Registreren is heel belangrijk. Wanneer je niet registreert of benoemt, is er onmiddellijk voorkeur of afkeer bij ieder zintuiglijk contact.

Registreren of benoemen is niet als het herhalen van mantra's. We registreren om het object te herkennen, objecten als pijn, geluid of geur. Soms hou je ervan wanneer die objecten overeenkomen met je voorkeuren, en zoniet dan heb je er een afkeer van.

Dus twee dingen: Je hoeft er niet bij te blijven, wanneer je er voorkeur voor hebt, en je hoeft het niet kwijt te willen of er van weg te gaan wanneer je er afkerig van bent.

Het is belangrijk dat je aanwezig bent zonder geconditioneerdheid. Ben je aanwezig bij iets of iemand zonder geconditioneerdheid, dan ben je stabiel. Verlichte mensen zijn niet zo onderhevig aan schommelingen als wij. Wij bewegen te veel op en neer, en daarom zijn we niet vrij. En bovendien worden we er rusteloos van.

 

In deze meditatie begin je het karakter van je zelf te zien. In het begin van de retraite, voel je je nog behoorlijk goed. Zitten en lopen gaat goed, maar na een bepaalde periode word je rusteloos. We zijn rusteloos omdat we te veel bewegen.

In het dagelijks leven hebben we geen tijd om te zien dat we zoveel bewegen. Hier zit je stil in je kamer, je hebt geen contacten, je praat niet, je ziet bepaalde dingen niet die je gewend was om te zien, maar er is nog steeds rusteloosheid in je gedurende zulke dagen. In feite is het goed dat je dit ziet, omdat rusteloosheid ook een van de geestelijke hindernissen is.

 

Na hier zoveel dagen te zijn geweest, heb je het gevoel geen energie meer te hebben, en ben je geneigd om in slaap te vallen. Versuft en tegelijkertijd rusteloos, en soms ben je totaal uitgeput. Je hebt niet genoeg energie.

's Morgens is je meditatie nog best goed. Het lukt je goed het rijzen en dalen van de buik te registreren en te benoemen. Later in de middag, of 's avonds echter weet je het niet meer, je voelt je rusteloos. Je vraagt je af waarom het zo veranderd is.

Je ziet dezelfde dingen te vaak en je raakt verveeld. In feite is dat het begin van jouw wijsheid. Het betekent dat je iets gaat verwijderen wat onder de oppervlakte zit. Het verwijderen van de vervuiling door de hindernissen.

 

In het begin voel je misschien meer rust omdat je de beoefening van concentratie in de plaats stelt van je zelf. Maar nu, na langer te hebben gemediteerd, wordt de rusteloosheid sterker. Sufheid, slaperigheid is er ook, en ook voel je twijfel. Twijfel is ook een van de hindernissen. Negativiteit heeft dus de overhand. De negativiteit in jouw persoonlijkheid verschijnt vaker en sterker.

Opmerkzaamheid, vertrouwen, energie en begrip van jouw situatie, alleen deze dingen kunnen je helpen vooruit te komen in je meditatie.

Ze worden de spirituele factoren genoemd, of indriya in het Pali. De kracht om met de hindernissen om te gaan, vertrouwen te hebben in wat je hier aan het doen bent, het hebben van voldoende energie en het hebben van een evenwichtige opmerkzaamheid.

Niet een opmerkzaamheid zoals jij je die voorstelt, maar een opmerkzaamheid die maakt dat jij voortdurend registreert.

 

Sommige mediterenden proberen te veel te registreren en te benoemen. Dat werkt ook verstorend. Verstorend voor jezelf, voor je concentratie en je energie. Hoe moet je registreren en benoemen zonder dat dat verstorend gaat werken?

Door alleen maar helder te zijn. Helder op het moment van contact dat gemaakt wordt door de zintuigen. Omdat je zoveel dingen tegelijk voorbij ziet komen, raak je verward en word je onhelder. Je weet niet meer wat je moet registreren en benoemen. Het overkomt je hier vaak in de retraite. Wat je moet doen is het maken van een mentale notitie van je verwarring. Wanneer je weet dat je verward bent, en dit registreert, dan is dat al goed genoeg voor vipassanā.

 

Je bent heel betrokken en gaat helemaal op in het uitvoeren van de methode, en juist daarom word je onhelder en is er geen opmerkzaamheid meer.

Er is geen vipassanā-meditatie meer, maar wanneer je - al is het maar voor een heel kort moment - helder wordt, dan is het al een moment van verlichting. En wanneer je helder bent, wat zou er dan nog meer moeten zijn? Wat valt er dán nog te vragen?

 

Je probeert antwoorden te vinden met je intellect. Dit is een van de moeilijkste dingen in je meditatie. Je werkt hard om in contact te komen met wijsheid, en dan komt je intellect met oordelen en vergelijken. Misschien begrijp je veel, maar dat is dan nog geen wijsheid. Het is slechts waarneming of alleen maar denken.

Weet je iets wat voortkomt uit je herinnering, het maakt niet uit wat, dan is het slechts waarneming, het is geen echt begrijpen. Alles wat je weet, of wat je geleerd hebt over allerlei onderwerpen, is alleen maar waarneming. Het is geen wijsheid… geen wijsheid in de zin van discipline, concentratie, en wijsheid, zoals we dat hier beoefenen… zo'n wijsheid is het niet.

Alles wat je vergelijkt en beoordeelt, en alles wat je begrijpt door dat oordeel, is alleen maar gedachte, is alleen maar intellectueel. Je moet voorbij gaan aan intellectueel weten: wijsheid verkrijgen door helder te zijn. Ieder helder moment is wijsheid. Ieder helder moment is vipassanā.

 

Probeer te vermijden om te veel intellectuele kennis te vergaren. Denken dat iets juist is, is in feite al onjuist. Wanneer je denkt dat iets juist is, is het niet goed voor vipassanā. Het klinkt waarschijnlijk heel vreemd, maar in feite is niets juist.

Zien, registreren, gewaar zijn wat er is. De helderheid van het contact van de zintuigen is het enige antwoord. Niet zoiets wanneer je zegt: Oh, dit is juist. In feite is dat heel verkeerd voor de ontwikkeling van je wijsheid. Wees daar dus voorzichtig mee als het je overkomt.

Ook mijn lezing behoort daartoe. Wat ik gedurende deze dagen tegen je zeg, is niet jouw wijsheid. We krijgen het in bruikleen. Het is niet van jou, niet jouw eigendom. Ik ontleen het aan de teksten of aan mijn ervaringen in het verleden, om het jou te vertellen. En jij ontleent het weer aan mij, om het verder te dragen. Dat is niet de ware wijsheid, niet het juiste begrip.

Werkelijk begrip krijg je van het gewaar zijn van je zintuigen, en niet door te proberen te bevatten wat je hebt geleerd, of wat je hebt gehoord in de lezingen.

 

Wanneer ik jullie vraag of je registreert, antwoorden velen van jullie: 'Nee, ik registreer niet, maar ik ben het me wel bewust'.

Ik zeg dan: 'Nee, je neemt het op je schouders'. Je iets bewust zijn betekent dat je je zelf belast. Bijna automatisch. Je bent niet vrij. Je behoort tot datgene waar je je bewust van bent.

Let op. Ben je je bewust van bepaalde dingen, en zeg je: 'Ik heb een scherp bewustzijn', dan is dat zwaarbelastend. Je bent niet vrij. Waar je je bewust van bent is je zelf, je persoonlijkheid, je persoonlijke entiteit. Het is zwaar belastend, en tegelijkertijd een gebrek aan wijsheid.

Je vraagt je af waarom er geen wijsheid is terwijl je heel helder en bewust ben. Er is geen wijsheid, omdat je gebonden bent aan wat je ziet, aan wat je herkent. Wanneer je iets herkent, en je laat het daar achter; dat is wijsheid. Als wijsheid komt, komt het gelijktijdig met vrijheid. En met licht en geluk natuurlijk. Met iets zelfs wat groter is dan geluk.

 

Geluk als resultaat van het vergelijken en beoordelen van ons leven, is anders dan het geluk dat we gewaar worden in het bovenwereldse bewustzijn. Het bovenwereldse bewustzijn is niet hetzelfde als het bewustzijn dat ons de dagelijkse dingen doet begrijpen, maar iets wat daaraan voorbij gaat, wat het dagelijkse leven overstijgt, wat we lokuttara noemen.

Lokuttara betekent 'erboven'. Boven je bewustzijn. Wanneer je gebonden bent aan je bewustzijn, ben je niet vrij omdat het je belast. Ga je voorbij aan je bewustzijn, dan is het nibbāna, verlichting of bovenwerelds bewustzijn.

 

Vaak krijgen mediterenden problemen met hun waarneming. Je komt allerlei dingen tegen die je moet zien te plaatsen. Wanneer je intensief mediteert, raak je hierover in verwarring. Soms lijkt het alsof je gek aan het worden bent, en je voelt je niet goed. Je bent verward, en je bent niet eens meer zeker over je waarnemingen. Je kunt de juiste verbanden niet meer leggen.

Je moet blij zijn wanneer dit gebeurt. Laten we zeggen, dat je jezelf eerst gek moet maken om gezond te worden.

 

We dragen heel veel dingen met ons mee, en we hebben het er flink mee te stellen. En plotseling, op een bepaald moment heb je niets meer te doen. En oh… je voelt je zo alleen, zo eenzaam.

Door opmerkzaamheid kom je dat te boven, ontstijg je dat gevoel. Dat is een moment van verlichting. We noemen dat magga-citta, zuiver bewustzijn. Een bewustzijn dat niet ergens aan gebonden is. Wanneer je de binding verbreekt, word je tegelijkertijd een voortreffelijk wezen. Het wordt ook wel 'grote geest' genoemd. In het zenboeddhisme wordt het 'grote geest' genoemd. Dat betekent, dat je een betere geest hebt, een beter bewustzijn, zonder nauwe verbindingen, maar openstaand voor alles en allen. Open voor alles wat kan komen, zonder beperkingen, zonder grenzen. Grenzeloos, groots en verlicht.

 

Christenen, moslims en hindoes geloven dat hun God het grootste wezen is, het grootste Zijn. In het boeddhisme zien we nibbāna als het grootste zijn.

In hun terminologie heet het verenigd met 'het koninkrijk Gods', maar in onze beoefening verenigen we met zuiver bewustzijn in nibbāna. Het is groots, zoals ik al zei, grenzeloos, en tegelijkertijd is het zuiver.

 

Het is niet zuiver wanneer we nog steeds onderhevig zijn aan verlangen. Is er iets wat je prettig vindt, dan vind je het goed. Is er iets wat je onprettig vindt, dan vind je dat vervelend. Je bent niet vrij. Je behoort toe tot dat wat je aangenaam vindt, en je moet iedere keer op de loop voor wat je onaangenaam vindt.

Het is zo jammer om weg te moeten lopen. Hoe slecht voel je je wel niet wanneer je ergens voor op de loop moet. Je voelt je beroerd totdat je probeert niet meer ergens in betrokken te raken, en niet meer probeert dingen of situaties te ontlopen. Maar hoe doe je dat? Ik zeg je: registreren en benoemen, dat is de enige weg. Niet weglopen voor iets en nergens in betrokken raken, dat maakt je vrij.

 

Wij zijn allemaal belast met de vijf groepen van onze persoonlijkheid. Lichaam, gevoel, waarneming, conditioneringen en werelds bewustzijn. Wil je deze vijf groepen achterlaten, dan moet je je in zuiver bewustzijn begeven. Tegelijkertijd moet je je zuiveren van je hindernissen.

Slaperigheid en sufheid zijn de obstakels die de meeste problemen geven. Deze zijn diep geworteld in de mens, en je raakt ze niet kwijt, mits je een arahat wordt.

 

Enige tijd terug zei ik dat wanneer je vipassanā-meditatie beoefent, je de tweede vipassanā-ñāna hebt bereikt. De eerste ñāna betekent dat je het object in je bewustzijn kunt herkennen.(Je onderscheidt wat nāma is en wat rūpa is). In de tweede ñāna begin je oorzaak en gevolg te herkennen. Hierin ben je al verlicht.

 

Wanneer je oorzaak en gevolg ziet in je meditatie, ben je een sotāpanna, of kleine overwinnaar van de stroom. Je weerstaat de stroom. Een kleine stroom. Je begint te zien dat verlichting aanwezig is bij jou, en dat verlichting mogelijk is.

Maar dan vraag je je af waarom je zo slaperig of versuft bent. Je bent zo slaperig omdat je nog geen arahat bent. Alleen de volmaakte verlichting kan slaperigheid verwijderen, maar wanneer je oorzaak en gevolg kunt zien, ben je al veel beter af, omdat je begint te begrijpen wat karma is.

Misschien had je het verhaal over karma al eerder begrepen, maar hier bedoel ik begrijpen met je hart. Dingen die je in je leven gedaan hebt, komen heel sterk bij je terug, omdat je ze ziet met je hart.

Dit kenmerkt de tweede ñāna in vipassanā-meditatie: oorzaak en gevolg! Oorzaak en gevolg van nāma-rūpa. Wat je ziet is niets meer dan nāma-rūpa en niets meer dan oorzaak en gevolg.

Rūpa is een bepaalde zaak, of een bepaald object. Je wordt het gewaar. Gewaarzijn van het object is nāma. Het object is rūpa.

Wanneer we rūpa zeggen in de boeddhistische theorie, zoals in de vijf bestaansgroepen, hebben we het alleen over het lichaam. We bedoelen dan materie of fysieke verschijnselen. Dit is alleen zo in de theorie van de vijf bestaansgroepen.

In vipassanā verwijst het niet alleen naar het lichaam, maar naar alles wat je gewaar wordt. Dat kan je lichaam zijn en dat kan je geest zijn. Wanneer je gewaar bent is datgene waarvan je je bewust bent rūpa, en het gewaarzijn ervan nāma.

 

Wanneer je je bewust wordt van een bepaald iets wat je graag mag, maakt het je gelukkig, maakt het dat je geniet. Word je je bewust van iets wat je niet graag mag, dan maakt het je geïrriteerd of kwaad. Zó worden we geconditioneerd door ons karma. Dit is het zogenoemde samsāra. Dit is het samsarische proces.

In het normale leven zien de mensen: 'Ik ben', of 'Ik ben gelukkig', 'Ik voel me slecht', enzovoort. Doe je vipassanā dan zie je het anders.

Wat je ziet en wat je weet is niets meer dan een oorzaak die nu zijn gevolgen heeft door iets prettig of onprettig te vinden.

 

Alleen maar erbij zijn, zonder er voor op de loop te gaan of er in op te gaan. Weglopen of er in opgaan vermoeit je en verveelt je. Wanneer dat gebeurt noemen we dat het begin van de verlichting.

Onderschat dus je vermoeidheid of je verveeldheid niet. Het is iets goeds, maar het is niet goed voor je ego. Het is heel slecht voor je ego, maar goed voor verlichting.

Dat is de richting die je moet geven aan je retraite. Wanneer je ontevreden bent met jezelf, zou je kunnen zeggen: 'Ik ben hier blij om, dit is waar ik nú bij ben'. 'Waar ik nu mee werk is: niet gelukkig zijn met mezelf'. Kijk, zo gaat dat.

Ben je niet op het goede moment gewaar geweest van jezelf en ben je heel gelukkig met jezelf, dan is er een sterk ego. Dit is een vervuilde geest en is slecht voor vipassanā-meditatie.

Geef jezelf niet de tijd om jezelf gelukkig te maken. Je wordt te gemakkelijk voor jezelf wanneer je dat doet. Je krijgt daardoor een zware tijd in je retraite.

Je hebt al een zware tijd gehad, omdat je je zelf gelukkig wilde maken door te gaan mediteren. Dat was ook al niet zuiver, omdat het een verlangen is voor het zelf.

 

Wanneer je erop vertrouwt dat je goed kunt zitten en lopen, betekent dit dat je je zelf goed onder controle hebt. Besef dat je dan onder het juk van het zelf bent. Vertrouw er niet op. Het kan ieder moment een goede of een slechte kant op gaan. Het blijft nooit hetzelfde. Wanneer het altijd hetzelfde zou blijven, zou je nooit de vergankelijkheid kunnen zien, de veranderlijkheid van de dingen.

Aldus zul je het proces van de dingen herkennen. Niets is echt, niets wat je echt kunt doen, maar je moet het toch doen. Als je ziet dat je iets kunt doen, is dat al een onjuiste zienswijze, is het een verkeerde houding of instelling. Geen goede meditatie.

Alleen maar om er te zijn moeten we het doen. Om niets anders dan om er te zijn.

 

Je hebt geen rust na al dit geploeter. Je bent onbevredigd, maar je blijft het doen. Dat is al goed genoeg. Als je alleen maar doet wat je leuk vindt, dat is heel verkeerd. Wees voorzichtig. Je moet ook in staat zijn om iets te doen wat je niet leuk vindt.

Soms vind je iets leuk, maar dat doet er niet toe, je doet het gewoon. Het is niet zo belangrijk voor je dat het leuk is. Je neemt iets, en je registreert en benoemt. Je stelt een daad in je meditatie.

In actie zijn, daden stellen, dat is belangrijk. Op deze wijze boek je vooruitgang in de beoefening van vipassanā.

 

Hier nog een woord als waarschuwing en ter inspiratie voor de beoefening van je meditatie. Geef niet op, en geef niet toe aan je ego. Het ego is altijd veeleisend. Geloof niet dat het ooit ophoudt. Veeleisendheid eindigt nooit. Het is nooit genoeg. Het is heel hebzuchtig. Altijd weer eentje meer. En nog meer. En het weet niet wanneer het genoeg is. Dat is het ego. Dat is het zelf.

 

Ik waardeer jullie. Ik heb bewondering voor jullie nadat ik met jullie gesproken heb vandaag.

Je hebt een zware tijd gehad hier…, en ik ben blij voor je dat je een zware tijd hebt. Vergeef me dat ik dat zeg.