Tweede lezing

Mettavihari Bhikkhu

22 januari 2001

(Vertaling Rien Loeffen)

 

We gaan verder met het luisteren naar de uiteenzettingen over de beoefening die leidt naar vipassanā-meditatie.

De meesten van jullie hebben nu al op z'n minst drie volle dagen intensief gemediteerd. Wanneer je de vier grondslagen van opmerkzaamheid intensief beoefent, betekent dat dat je de gehele tijd en iedere keer weer op tijd bent met één object van je zelf. Je lichaam, je gevoelens, je denken, of de objecten van je geest.

Lichaam:

Wanneer je probeert de beweging van je voet op te merken, 'rechts gaat zo', 'links gaat zo', of 'optillen', 'neerzetten'. Of wanneer je zit en je merkt het rijzen en dalen van de buik op, hetgeen veroorzaakt wordt door de ademhaling, dan contempleer je op je lichaam.

Gevoel:

Op een zeker moment, wanneer je zit of wanneer je loopt, word je je bewust van fysieke pijn. Pijn is gevoel, een fysiek gevoel. Wanneer je je zulke pijn gewaar wordt, ben je niet meer in je lichaam, maar in je gevoel. Wanneer je het gevoel herkent (als gevoel), en je registreert of benoemt het, dan betekent dat dat je voor dat moment contempleert op (de grondslag van) gevoelens.

Wanneer de gevoelens verdwenen zijn, of wanneer ze geen macht meer hebben, en zodoende ook geen aandacht meer eisen, verplaats je je aandacht opnieuw naar het lichaam, het rijzen en dalen van de buik of het optillen en neerzetten van de voeten, enzovoort.

Het denken:

Op zeker moment zijn er veel gedachten. Herinneringen bijvoorbeeld. Dit zijn geen gevoelens, dit is je geest. Je denkt met je geest. Wanneer je aan iets denkt, maar je benoemt het als gevoel, dan is dat geen beoefening van vipassanā. Wanneer je je gedachten herkent als denken, dan zeg je niet 'gevoel', maar benoem je als 'denken'.

Herinneren gaat altijd over iets uit het verleden, maar het is er hier en nu als denken.

Conditioneringen of objecten van de geest:

Conditioneringen of objecten van de geest is datgene wat je geest komt afleiden of wat je zijn verstoort. Conditionering komt voort uit gevoelens en denken, meestal uit beide. Het begint bijvoorbeeld eerst als pijn, bij­voorbeeld wanneer je een fysiek gevoel hebt zoals pijn of jeuk. Wanneer het te sterk wordt, en wanneer je er een hekel aan krijgt, of wanneer je er bang door wordt, dan is het geconditioneerdheid of verwarring van de geest. Wanneer je dit herkent, zeg je dus niet 'gevoelens', maar je zegt 'verwarring van de geest' of alleen maar ‘afleiding’ of 'conditionering'.

Zo ook met het denken. Je herinnert je iets in je denken, maar je begint die gedachte te bekritiseren. Het bekritiseren van de gedachte is al een object van de geest of conditionering. Zonder bekritiseren, zonder het prettig of niet prettig vinden van je gedachte, is het alleen maar je geest, is het alleen maar je denken. Je denkt een herinnering.

Je zult dit voortdurende voorbijkomen van lichamelijke of materiële objecten, van gevoelens, van gedachten, van conditioneringen, zien als je zelf. Niets meer dan je zelf.

 

Wanneer je je voet beweegt in de loopmeditatie ben je je bewust van de bewegende voet. Je zegt 'optillen', terwijl je je bewust bent van het optillen van de voet. In het geval van het neerzetten, ben je je bewust van het neerzetten van de voet. Wanneer je vipassanā beoefent verwar je het gewaarzijn van het lichaam niet met gevoelens. Je laat het heel eenvoudig bij het gewaar zijn van het lichaam, en je benoemt dat.

Je voelt iets in je voet, bijvoorbeeld een prettig gevoel, en je gaat door met het zeggen van 'optillen' en 'neerzetten'. Iedere keer dat je in dat aangename gevoel zit zonder het als zodanig te benoemen, is het geen vipassanā maar samatha.

Vaak ben je teleurgesteld wanneer er zoiets als een gedachte opkomt tijdens je contemplatie op het lopen. Je vindt het vervelend en je raakt geïrriteerd omdat het je uit je gevoel van je voet haalt. Hieruit blijkt dat je in samatha bent. In feite is het zo dat de gedachten, die van tijd tot tijd opkomen, je helpen om niet in samatha-meditatie terecht te komen gedurende de loopmeditatie.

 

De loopmeditatie geeft je een zekere energie. Wanneer je je voet neerzet, je voet optilt, of je been buigt, gaat er energie door je lichaam. Met die energie komt een aangenaam gevoel op, en met dat aangename gevoel kom je in samatha terecht. Je vindt het aantrekkelijk, en je ziet plotseling niet meer of je vipassanā of samatha beoefent. Je moet heel nauwgezet het gewaar zijn van je bewegende voet benoemen.

Wanneer je de beteugeling van de zintuigen beoefent, beoefen je tegelij­kertijd sīla, samādhi en paññā. Beteugeling van de zintuigen vereist discipline. Het opmerken van de zintuiglijke indrukken is juiste concentratie. Het gewaarzijn dat ontdekt dat de voet zo gaat is wijsheid.

Wanneer je het goed doet heb je nauwelijks de tijd om na te denken. Maar dan komt het denken tijdens de loopmeditatie omdat je te veel in samatha zit. Op dat moment leidt zelfs het bewegen van de voet af. Telkens wanneer je je voet beweegt, raakt je geest in gedachten. En er komen veel gedachten op; soms zijn het zelfs zoveel gedachten dat je het bewegen van de voet niet meer ziet. Wanneer je vipassanā-meditatie beoefent: maak er geen probleem van wanneer tijdens de loopmeditatie gedachten opkomen.

 

Je maakt een schema voor jezelf, om een half uur of een uur te lopen: 'Gedurende deze tijd wil ik voortdurend zien wat mijn voet doet. Er mag niets tussen komen'. Dat is jouw schema, maar door dat schematiseren hinder je het proces van de vier grondslagen van opmerkzaamheid.

Gedachten kunnen opkomen in je zitperiode, of tijdens het lopen, gewoon omdat denken deel is van jouw zelf. Je moet niet vermijden met gedachten om te gaan. Wanneer gedachten je aandacht vragen, dien je meteen te herkennen dat er denken is en dat te benoemen.

Het maakt niet uit wanneer van tijd tot tijd denken opkomt. Wanneer dit gebeurt: stop met lopen en sta gedurende een korte tijd stil. Zoals ik al eerder heb gezegd: niet meer dan één ding tegelijk.

 

Vaak bestaat er de idee dat verlichting alleen mogelijk is wanneer je zit. Het is belangrijk dat je tijdens een intensieve beoefening als deze niet vergeet dat de verlichting kan komen in ieder van de vier lichamelijke houdingen. Het kan gebeuren wanneer je staat, wanneer je loopt, wanneer je zit en wanneer je ligt.

Na een tijd word je geconfronteerd met het probleem dat je niet goed kunt zitten of lopen omdat je te veel gedachten hebt. Dit is niet erg, omdat denken onderdeel is van de vier grondslagen van opmerkzaamheid.

Soms komen conditioneringen op, tijdens het lopen bijvoorbeeld, wanneer een herinnering heel sterk is en je vindt dit vervelend. Bij een herinnering in deze situatie zeg je niet 'denken', maar 'conditionering', 'beroe­ring' of 'onaangenaam'.

In dit geval blijf je stilstaan. Wanneer je dan beweegt, raak je in conflict. En wanneer je loopmeditatie niet goed is, heb je ook geen goede zitmeditatie.

 

Je herkent het lichaam door de bewustwording van het lichaam in beweging. De beweging maakt je gewaar van het lichaam. Je benoemen is dus overeenkomstig de beweging. We hebben de begrippen of woorden om 'rechts' en 'links', of 'voortgaan', 'voortbewegen', 'aanraken' of 'neerzetten' te zeggen, afhankelijk van welke van de zes oefeningen we doen tijdens de loopmeditatie.

 

Om nu te komen bij het rijzen en dalen van de buik. De beoefening van vipassanā-meditatie is anders dan de beoefening van ānāpāna-sati. Anāpāna is het volgen van de ademhaling. Het inademen is ānā. Het uit­ademen is pāna. Wanneer je voortdurend het binnenkomen en het naar buiten gaan van de lucht in je lichaam volgt, beoefen je samatha. Hoe maak je van je meditatie vipassanā-meditatie?

Je merkt het rijzen of het dalen van je lichaam op in de nabijheid van je buik, of ergens daar in de buurt. Je onderscheidt helder de beweging (opmerkzaamheid met betrekking tot het lichaam) en tegelijkertijd contempleer je van een afstand.

Wanneer je er te dicht bij bent, raak je betrokken. En wanneer je betrokken raakt, ben je bij je zelf. Je raakt in samatha omdat het rijzen en dalen een aangenaam gevoel geeft. Ieder prettig gevoel maakt dat je erin getrokken wordt, maakt dat je er gehecht aan raakt.

In vipassanā-meditatie moet je je onthechten van de vijf aggregaten of groepen (van bestaan), khandha’s in het Pali. Onthechten van lichaam, gevoel, waarneming, conditioneringen en bewustzijn. Dit is de last die de mens draagt. Wanneer je iets draagt, betekent dit al dat je belast bent. Ongeacht wat je draagt.

 

Soms raak je ontmoedigd hier in de retraite. Je voelt dat je te zwaar belast bent, en je kunt niet meer verder. Je kunt de moed niet meer opbrengen, en het ontbreekt je aan motivatie. Je hebt het verlangen om te stoppen, om iets anders te gaan doen. Iets wat je aangenaam vindt. Aangenaam volgens je eigen begrippen. Maar ik vraag me af of dat echt aangenaam is.

Misschien is het aangenaam wanneer je ophoudt met het registreren of benoemen van de verschijnselen, maar wanneer het je belast, dan doet het er niet toe waar je heen gaat. Je bent niet vrij, en je kunt er niet van wegvluchten. Op geen enkele manier. Al ga je de ruimte in, of naar de zon of naar de maan, waar je ook maar toe in staat bent om te gaan, als je nog altijd ergens mee belast bent, nog iets met je meedraagt, ben je niet in staat om vrij te zijn. Wanneer je stopt met je te belasten, stopt met dingen met je mee te dragen, dan kun je gaan, dan ben je vrij.

Daarvoor moet je onthechten. Ieder benoemen maakt dat je onthecht bent. Ik geef een voorbeeld: wanneer je iets hoort, benoem je dat als 'horen'. Wanneer je vipassanā beoefent hoor je, maar tegelijkertijd ben je onthecht van wat je hoort. Je probeert het niet te ontlopen of kwijt te raken, en je probeert het niet te verkrijgen. Het ontlopen is al belastend. Het proberen te verkrijgen of vast te houden is een nog grotere belasting. Daar vind je geen vrijheid.

 

Deze meditatie is om vrijheid te verwerven. Vrij van je zelf. Het is geen vrijheid die iemand je cadeau kan doen of die zo uit de hemel kan komen vallen. Nee, het moet hier vandaan komen: van je lichaam, van je gevoelens, je waarneming, je conditioneringen en je bewustzijn. Daarom, wanneer je hoort, benoem je dat als 'horen'.

Wanneer je iets hoort buiten je kamer, verander je je wereldse bewustzijn in een zuiver bewustzijn. Je zegt 'horen’, ‘horen'. Je begint met horen zonder overwegingen van voorkeur of afkeer. Alleen maar dat je hoort.

Wanneer het niet meer uitmaakt of het aangenaam is of niet aangenaam wat je hoort, en je benoemt het als 'horen', of als 'In mijn oor is horen', dan belast je jezelf niet meer met het geluid. Of het nou een goed of slecht geluid is. Wanneer je eraan gehecht bent of wanneer je het vervelend vindt, draag je het met je mee. Wanneer je het op de een of andere manier met je meedraagt, jezelf ermee belast, ben je niet vrij.

We dragen een hele hoop met ons mee in ons leven. Daarom hebben we deze oefening van 'intensive care'. Intensieve zorg voor je opmerkzaamheid en voor je motivatie. Je hoeft slechts zorg te dragen voor je opmerkzaamheid, maar je moet je er niet mee belasten. Wanneer je opmerkzaamheid met je mee gaat dragen, dan wordt je last alleen maar nóg groter.

 

Ik heb je verteld dat je voortdurend opmerkzaam moet zijn, en op tijd. Maar hoe kun je opmerkzaam zijn?

Je bent opmerkzaam door middel van de zintuigen. Er kan geen opmerkzaamheid ontstaan zonder het contact dat gemaakt wordt door de zintuigen.

Wanneer een verlicht iemand in meditatie zit, benoemt hij niet. Dat klinkt goed, of niet? Zij hoeven opmerkzaamheid niet met zich mee te dragen, omdat hun zintuigen als bevroren zijn.

Je ziet dat wanneer je vlees in de diepvries legt, het vlees vanwege de vrieskou lang bewaard kan blijven. Het rot niet in de vriezer. Dit is vergelijkbaar met verlichte mensen. Zij zitten slechts. Alle gevoelens zijn verdwenen. Ze zijn in nibbāna.

Dus de verlichte mensen zitten na het middagmaal, maar ze mediteren niet. Ze rusten zonder belast te worden door zintuiglijke impressies, omdat ze de khandha’s weggegooid hebben.

Ze dragen niets meer mee, maar hoe hebben ze de khandha’s van zich af kunnen gooien?

Ze walgden ervan. Te veel gebukt onder hun lasten zeiden ze op een dag: 'Ik laat het hier achter. Ik draag het niet meer verder met me mee.' Alleen met de beoefening van vipassanā kan dat gebeuren.

 

Wanneer je samatha-meditatie beoefent is het óók mogelijk om een halt toe te roepen aan het gevoel en om te verdwijnen in jhāna of absorptie van de geest. Maar wanneer je stopt met je meditatie en wanneer je terugkomt in het dagelijkse leven, word je weer belast met je gevoelens. Je stopt de gevoelens door de gevoelens te boven te komen door de kracht van mentale absorptie. Je absorbeert al het bewustzijn en de gevoelens onder de oppervlakte, en je voelt een grote vreugde omdat je niet belast bent met de khandha’s. Maar alles komt terug zodra je terugkeert bij het gevoel.

Dit is vergelijkbaar met wanneer je onder narcose gebracht wordt in het ziekenhuis. Je wordt onderdrukt door de narcose. Zolang een bepaald gas in je neus wordt geleid, voel je niets. Alle gevoelens zijn verdwenen. Je weet niet waar je bent, je weet niet waarom je zo bent, je bent in de hemel. Voor dat moment heb je de khandha’s gestopt.

Je komt weer terug zodra de narcose voorbij is, maar je kunt je herinneren hoe geweldig het was, hoe gelukkig je was. Het gebeurde omdat je de khandha’s niet hoefde te dragen. Onbelast door gedachten, geen gevoelens, niet wetend wat er gebeurt. Als dood, maar toch aanwezig.

Hetzelfde is het geval met jhāna in de beoefening van concentratie. Wanneer je onbelast bent, dan is het geweldig. Maar de verlichten, de arahats, werden verlicht door de beoefening van vipassanā-meditatie. Ze dragen niets meer met zich mee voor de rest van hun leven. Ze zijn bevrijd. Ze hebben de absolute vrijheid bereikt.

 

In ieder registreren en ieder benoemen kunnen we verlost worden van de khandha’s, vrij worden van de khandha’s. Het registreren en benoemen is heel krachtig, zo krachtig dat je er vrij door kunt worden. Zonder registreren en benoemen kun je hoogstens komen tot mentale absorptie door de beoefening van samatha. Maar dit lost geen enkel probleem op. Dit is slechts tijdelijk. Alleen met vipassanā kunnen de altijd voortdurende problemen worden opgelost.

Ik zeg dit om je aan te moedigen om niet in de vijf khandha’s te verdwij­nen. Om niet in de gevoelens te verdwijnen, niet in de waarneming en niet in geconditioneerdheid, door de techniek te gebruiken. Alles wat je nodig hebt is bij jou aanwezig, dus je kunt het registreren en benoemen. Ieder registreren en benoemen maakt dat je er niet in verdwijnt.

 

Ik wil dat je jezelf scherp observeert, en eventueel jezelf corrigeert wanneer je bij je lichaam bent met het rijzen en dalen van de buik. Het is goed wanneer je voor een korte tijd bij het rijzen en dalen bent, maar wanneer je de gehele tijd bij het rijzen en dalen bent, is het onmogelijk om vipassanā-ñāna te verwerven. Je zult geestelijke gezondheid verwerven wanneer je het krachtig en met ijver doet. Je zult in jhāna komen, of op z'n minst diepe concentratie krijgen. Het zal je ook gelukkig maken, maar het zal je niet vrij maken van je last.

 

In het begin van deze lezing heb ik verteld dat het beoefenen van vipassanā contemplatie op de vier grondslagen van opmerkzaamheid betekent. Ik bedoel contemplatie op de vier grondslagen vanaf een afstandje, zonder erin te verdwijnen.

Ik zal een voorbeeld geven. Je hebt pijn in je knie of in je rug. Het hebben van pijn is een gevoel. Eerst herken je de pijn, en daarna registreer je dit. Wanneer je registreert, maak je de afstand tot het object, de pijn in dit geval, groter. Wanneer je te dichtbij bent heeft het gevoel de kracht om je bewustzijn naar binnen te trekken als was het een magneet. Je kunt er dan nauwelijks nog aan ontsnappen. Daarom registreer je. Je zegt 'pijn', 'pijn'. Tegelijkertijd dien je de pijn sterk gewaar te zijn. Je zegt natuurlijk niet 'pijn' op de wijze waarop je een mantra uitspreekt. Je kijkt, je herkent de pijn, je maakt afstand en je registreert 'pijn'. Zeg het heel rustig, zonder opwinding, zonder onrust.

 

Je kunt verlost worden van de pijn, je hoeft de pijn niet te dragen, omdat je een afstand hebt tot het gevoel en omdat je het gevoel van pijn regi­streert. Niet in de pijn, maar buiten de pijn. Het werkt niet wanneer je in de pijn registreert, of je moet een heel sterke concentratie ontwikkeld hebben, zodat de pijn stopt door mentale absorptie of door de ontwikkelde geestelijke kracht.

Doe geen moeite, want je hebt die geestelijke kracht niet. Je bent ge­dwongen om de techniek van vipassanā te gebruiken om niet geconditioneerd te worden door de pijn. Je gebruikt de pijn als grondslag van opmerkzaamheid, de grondslag van het gevoel. Om het effectief te maken, dien je te registreren of te benoemen. Registreer je niet dan ben je al in het gevoel verdwenen.

Wanneer je al in het gevoel bent, dan wordt het alleen maar erger. Het maakt dat je bang bent. Er vindt een verandering plaats van gevoel naar geconditioneerdheid. Het maakt je onzeker, verward. Het is niet meer het gevoel, maar geconditioneerdheid, en dat is de reden waarom je op tijd moet zijn. Op tijd met registreren en benoemen.

 

Wanneer je mediteert en je zegt: 'pijn', 'pijn', terwijl je angst hebt voor de pijn, noteer je niet op de goede manier. Het is niet het goede object hier en nu. Indien wat er nu werkelijk is geconditioneerdheid is, zoals het geval is met angst, afkeer of paniek, maak je dienovereenkomstig een mentale notitie. Je benoemt niet als 'pijn', maar als 'angst voor pijn', of 'angst'. De pijn transformeerde van gevoel naar geconditioneerdheid of object van de geest. Zeg 'afkeer', of 'angst' of wat er ook maar mag zijn. Dan beoefen je het juiste object op het juiste moment.

 

De derde grondslag, denken, is een groot probleem in de beoefening van meditatie. Vaak zie je niet hoe een gedachte opkomt. Je bent druk bezig met de observatie van het rijzen en dalen van de buik, wanneer je plotseling wordt overrompeld door denken. Je wordt voortdurend geconfronteerd met denken, en je raakt ervan in paniek.

Gedachten komen als de wolken in de lucht. Wanneer grote wolken de hemel vullen belemmeren ze de zon en wordt het donker. Sterke gedachten komen als een grote wolk en ze verhinderen je de dingen helder te onderscheiden. Het enige wat je ziet is de wolk zelf.

Je registreert 'denken', 'denken', wat is als het uitdrogen van de wolken en de mist in je zelf. Je wordt licht en helder. Wanneer je geen notitie neemt van het denken, word je er door overrompeld. De vele soorten gedachten zijn altijd aanwezig, precies zoals in de lucht altijd wel wolken te zien zijn. Soms echter zijn ze heel erg ijl. Je ziet ze niet, maar voortdurend gaan er wolken voorbij, voortgedreven door de stromingen in de lucht. Voortdurend trekken wolken boven ons voorbij.

 

Op dezelfde manier is er altijd denken in ons aanwezig. Terwijl je zit en het rijzen en dalen van de buik observeert, komt bijna onmerkbaar, als een sluierbewolking, het denken bij je binnen. Is het slechts een klein beetje wat je niet hindert in je observatie van het rijzen en dalen, dan hoef je het niet te registreren of te benoemen. Laat het voor wat het is. Je hebt uiteindelijk toch genoeg licht. Bekommer je er niet om. Regi­streer zulke gedachten niet. Ga door met het benoemen van je fysieke lichaam, 'rijzen', 'dalen', 'rijzen', 'dalen', tot een sterke gedachte opkomt.

Dan benoem je de gedachte omdat deze je verhindert om het rijzen en dalen te zien. Het enige wat je nog kunt zien is de gedachte. Dus niet doorgaan met het benoemen van rijzen en dalen. Jezelf forceren om bij de beweging van de buik te blijven is op dat moment niet juist.

Je kunt het wel doen, maar dan is het geen vipassanā meer. Dan is het samatha. Je gaat dan in tegen het voortgaande proces wat zich binnen jou en buiten jou voltrekt. Dus stop je met het benoemen van het rijzen en dalen, en benoem je als 'denken', 'denken', 'in mij is denken'.

 

Herinneren is denken. Je zit en je herinnert je iets uit je verleden. Soms vind je het aangenaam, en besteed je er enige tijd aan. Je gaat verder in je fantasie, en je bent niet meer aanwezig. Je bent niet meer in het hier en nu.

Dit is als op een begraafplaats. Iemand van wie je hield is gestorven en is daar begraven. Je gaat er heen, je praat met de geliefde, maar de geliefde praat nooit terug. Herinnering, deze vorm van denken, zelfs goede gedachten, zijn niet beter dan een dood lichaam op het kerkhof. In je hallucinatie hou je ervan omdat je in het verleden kunt vertoeven. Maar na een tijdje maakt het je verward en voel je je er ongemakkelijk bij.

Slecht karma, opgedaan in je verleden, komt bij je terug als slechte herinneringen. Dit is ook dood. Het is als een crimineel die dood en begraven is. Waarom bekommer je je om die slechte herinnering? Het ligt toch allang en diep begraven op de begraafplaats. Maar omdat je je niet kunt verlossen van je karma, word je er bij voortduren mee geconfronteerd en blijft het je beïnvloeden.

Karma betekent het goede en het slechte wat je gedaan hebt in je verleden. Je registreert echter, en je benoemt, niet om terug te gaan naar het verleden, naar wat er met je gebeurd is, maar om hier en nu te zijn. Hiermee kun je verlost worden van je karma.

 

De gehele tijd, op tijd, en met het juiste object. Als je zo mediteert, zo registreert of benoemt, onophoudelijk, intensief, van vroeg in de morgen tot laat in de avond, dan zul je verlicht worden. Het is niet ver van je verwijderd. De verlichting is hier, vlak voor je. Je hebt er de juiste condities voor, maar in hoeverre werk je ervoor, dat is de vraag.

Onderschat geen enkel afzonderlijk moment. Van je ontwaken in de morgen tot 's avonds wanneer je in slaap valt, moet je onophoudelijk en heel grondig alles registreren wat er in je omgaat. Lopend door de gang kan er een verlicht moment zijn. Het kan er zijn aan de tafel in de eetzaal, of op het toilet. Zolang je doorgaat met opmerkzaam zijn, met regi­streren en benoemen, dan is verlichting aanwezig.

Verlichting komt wanneer je je van je last ontdoet. Je moet erop voorbereid zijn om je te ontdoen van je last. Dit lichaam, deze gevoelens, dit denken, dit geconditioneerd zijn en deze waarnemingen. Je moet hiervan onthecht raken. Zolang je hieraan gehecht bent, kun je je niet ontdoen van je last. Je kunt het niet achterlaten omdat je het voor jezelf wilt hebben. Je wilt het zelf met je meedragen.

Zie het voorbeeld wanneer je 'horen' benoemt. Er is niets goed en ook niets verkeerd aan het moment dat geluid in contact komt met je oor. Je zegt 'horen', 'horen'. Het geluid gaat door, maar het is noch goed noch slecht.

Verlichting is noch goed noch slecht. Niet positief of negatief. Wat is het dan? Niets, omdat er geen woorden voor zijn. Je weet, maar je weet niet hoe het uit te leggen. Woorden zijn niet genoeg. Het is te krachtig, te sterk en te veel om in woorden uit te drukken. Daarom kun je zeggen dat je weet, maar tegelijkertijd weet je ook niet. Er is niets waar je het mee kunt vergelijken.

 

We zeggen positief, wat gehechtheid betekent. We zeggen negatief wat betekent dat we er van weglopen of het kwijt proberen te raken. Ook dit laatste is verlangen.

Verlangen is heel sterk. Verlangen komt voort uit de gevoelens. Wanneer ik praat over gevoelens op deze manier, bedoel ik niet lichamelijke of geestelijke gevoelens, maar aangename of niet aangename gevoelens. Aangename gevoelens is verlangen. Onaangename gevoelens is het verlangen om van iets verlost te worden. En soms zijn er neutrale gevoelens: geen verlangen, maar onwetendheid.

Onwetendheid omdat je er nog steeds bent. Het is niet goed en niet slecht, maar je kunt er niet van weg komen. Het is niet goed en niet slecht, maar dat je er nog steeds bent, betekent dat je nog niet voldoen­de opmerkzaamheid hebt ontwikkeld.

 

Ik wil nogmaals herhalen, dat het fout is wanneer je opmerkzaamheid met je meedraagt. Opmerkzaamheid is aandachtig zijn wat betreft jouw hier en nu zijn. Het is een voortdurend aandachtig zijn. Het is niet zoiets als een steen of een stuk hout dat je moet dragen. Opmerkzaamheid is alleen maar aandacht.

Aandacht in het leven is opmerkzaamheid, aandacht voor wat er is. Niets ontbreekt, en je loopt nergens achteraan te hollen. Je staat nergens op te wachten omdat altijd alles aanwezig is. De gevoelens zijn er, je bewustzijn is er, en het blijft komen. Voortdurend en zonder ophouden.

 

Vipassanā betekent inzicht. Door deze oefeningen krijg je diepgaand inzicht. Sterk inzicht maakt je vrij, maakt dat je verlicht wordt.

Ik heb je vanavond gewezen op wat je hier in de retraite al gedaan hebt, maar je moet doorgaan met polijsten. Je moet de steen polijsten, net zolang tot de diamant tevoorschijn komt. Polijst je niet, dan blijft het een steen. Niemand heeft er behoefte aan. Niemand zal het willen als versiering. Je bent nu op de weg van het polijsten van de steen.