Vierde lezing

 

Vanavond gaat de lezing over de balans van je positieve mentale krachten, namelijk: vertrouwen (saddha), energie (viriya), opmerkzaamheid (sati), concentratie (samādhi) en het begrip van je situatie hier en nu, oftewel wijsheid (paññā).

Om vipassanā met succes te beoefenen moet je in staat zijn om deze krachten in balans te brengen. Dit zijn de krachten die je hier hebben gebracht en je moet deze krachten aanwenden in je meditatie. Ze worden niet verkregen door het lezen van boeken of door naar lezingen te luisteren, of de lezing nu van mij is of van de Boeddha. Je vindt deze krachten alleen in jezelf.

Zonder vertrouwen is het bijna onmogelijk om je meditatie hier vol te houden. Misschien heb je er al vóór de retraite profijt van gehad dat je mediteert, wat je het vertrouwen heeft gegeven om naar de retraite te komen. Omdat je er voorheen profijt van hebt gehad verwacht je er ook nu weer profijt van te hebben. Maar als dit vertrouwen, deze verwachtingen gaan overheersen, dan worden ze een hindernis, en verstoren en manipuleren ze je situatie.

Of je gaat je door die verwachtingen extreem inzetten waardoor je al je energie verliest. En wanneer je geen energie meer hebt blijf je toch doorgaan met je pogingen, zonder succes, en op een gegeven moment verlies je je geloof, en heb je geen vertrouwen meer in je meditatiebeoefening. Zo kun je je krachten kwijtraken vanwege te groot vertrouwen en verwachtingen.

We zijn nu in het midden van de retraite. Sommige mediterenden doen het heel goed, en anderen hebben het heel zwaar vanwege een gebrek aan energie. Als het je goed gaat, betekent dit dat je een bepaalde balans hebt in het begrijpen van je huidige situatie, en dat je het vertouwen hebt dat je meditatie in harmonie verloopt. Er is een balans tussen vertrouwen en begrip.

Of als je een goede energie hebt, ben je niet vermoeid. Ondanks dat je voortdurend en intensief oefent, heb je toch nog genoeg energie om je meditatie voort te zetten. Dit betekent dat je concentratie verworven hebt. Als je nu nog geen concentratie hebt opgebouwd, dan zul je niet in staat zijn om in je meditatie te blijven, en ermee ophouden. Dat je ermee doorgaat betekent al dat je een bepaalde concentratie hebt opgebouwd.

Vaak zou je graag meer concentratie willen hebben, maar door dat graag te willen verlies je weer energie. Er moet een balans zijn tussen energie en concentratie.

Ik wil dat je je situatie overweegt: bewandel je de middenweg of zit je in een van de extremen. Gedurende deze dagen, in het midden van de retraite, is het mogelijk dat je als mediterende iets extreems, iets buitensporigs bent gaan doen in je meditatie. Het kan zijn dat je hard werkt, met buitengewoon grote inzet, of je bent lusteloos of lui. Dit betekent dat je de balans kwijt bent van de middenweg. Het is belangrijk om in jezelf te kijken hoe je in deze retraite zit: werk je te hard, of doe je te weinig.

Vermijd deze twee extremen. Niet genoeg mediteren, lang slapen of regelmatig een pauze nemen, objecten niet benoemen, tijd verdoen zonder de meditatieobjecten te herkennen is het ene uiterste. En de andere kant is dat je te veel verwachtingen hebt en je harder en harder wilt werken. Misschien lukt je dat een tijdje, maar uiteindelijk raak je dan uitgeput en stort je in elkaar.

Er zijn mediterenden die heel strikt zijn, en heel lange periodes lopen en zitten. Je hebt het geloof dat je je krachten in de hand hebt, maar na een paar uur kun je geen lange tijd meer zitten of lopen. Dit betekent dat je niet in balans bent. Je verwacht meer resultaat, meer succes te hebben. Je denkt dat je je vermogen tot concentratie naar je hand kunt zetten. Als je dat gelooft, dan is dat niet overeenkomstig vipassanā: het is geloof in een zelf, in je persoonlijkheid.

Maar voor sommige mediterenden is het goed om problemen te hebben met lopen en met zitten. Je kunt niet goed lopen of zitten omdat er iets is wat je komt verstoren. Deze verstoring is niet vanwege bezorgdheid, niet vanwege veel gedachten of veel pijn, maar het is iets onaangenaams. Het maakt je ziek of ongelukkig, maar zonder reden. Als dat gebeurt, betekent dit dat je in de richting gaat van vipassanā-meditatie. Waarom? Omdat je nu slechts twee dingen kunt herkennen: het object en het gewaar zijn van het object. In het ademen herken je de lichamelijke beweging; met gevoelens herken je de gevoelens; je herkent denken of de objecten van je geest.

Je herkent deze twee dingen, nāma en rūpa, en met je noteren en benoemen komen ze iedere keer weer op: een nieuw object en het gewaar zijn van dat object. Het bewijst dat je in het proces van zuivering zit, zuivering van geest en zuivering van discipline.

En dan plotseling kun je het niet meer verdragen om zulke lange periodes te zitten en te lopen. Dit is vipassanā, hier kom je lijden tegen. Wat is dit lijden? Je meditatie is niet bevredigend, je kunt niet lopen en zitten voor de periode die je je hebt voorgenomen. Je denkt dat er iets mis is. In feite is er niets mis, het is juist het proces van vipassanā. Je begint de karakteristieken van vipassanā te herkennen, namelijk lijden (dukkha) en vergankelijkheid (anicca).

Verandering in het lichaam en in de geest. Nog niet zo lang geleden kon je het rijzen en dalen gemakkelijk volgen, maar na enige tijd hield dat op. Dat is verandering. En het gevolg van het zien van die veranderingen is dat je je geloof in een zelf kwijtraakt, omdat je ziet dat je zelf de situatie niet in de hand hebt. Zelfs je meditatiebeoefening heb je niet in de hand, het gebeurt gewoon buiten je om.

Dit zijn de kenmerken van vipassanā: anicca, dukkha en anattā, of veranderlijkheid, onbevredigdheid en geen-zelf. Als je deze drie herkent, dan heeft je meditatie al een positief effect. Hoe meer verandering, hoe meer lijden, hoe slechter beheersbaar, hoe beter. Het is juist het omgekeerde van je alledaagse werkelijkheid, het gaat precies de andere kant op. We noemen dit het terugtrekken uit het wereldse proces. Het betekent niet dat je deze wereld verlaat, deze samenleving. Je blijft in de samenleving maar je begint de dingen anders te zien. Dit is het begin van wijsheid, het begin van je vrijheid.

Maar we zijn altijd ergens aan gehecht. Als we geloven dat we niet gehecht zijn aan materiële dingen, dan blijken we wel gehecht te zijn aan iets spiritueels zoals meditatie. Ook willen we een goede concentratie hebben en een goede energie, we willen blij zijn met de meditatie.

Dat is ook weer geloof in het zelf. Je hebt er problemen mee als de meditatie niet gaat zoals jij het gewend bent. Wat kun je dan doen? Je blijft doorgaan met noteren, zonder de meditatie te onderbreken, de dingen gewoon laten gebeuren zoals ze zich voordoen. Zuivering van discipline heeft niets te maken met dat je een bepaalde tijd zit of loopt, maar met hoe je noteert en benoemt. Als je opmerkzaamheid aanwezig is bij wat er hier en nu gebeurt, dan gaat het al erg goed met je meditatiebeoefening.

Het beste wat je dus kunt doen is ophouden met iets te verwachten, zowel van jezelf als van je meditatie. Neem het zoals het is, dat is al meer dan genoeg. Wat je nu beoefent in deze retraite is een vorm van polijsten, het polijsten van een onzuivere steen, de onwetendheid, het duistere in je. Je vervangt je eigen gewoonten, of wat we de kilesa's noemen: kwaadheid, onwil en onwetendheid. In je meditatiebeoefening kun je deze onzuiverheden verwijderen.

Wanneer je intensief mediteert beteugel je de zintuigen en op deze wijze zorg je ervoor dat deze bezoedelingen, deze onzuiverheden, niet plaats vinden door de contacten van de zes zintuigen. Op dit punt wil ik je iets vertellen over het verliezen van je waarneming.

 

Het gebeurt soms dat er geen rijzen en dalen meer is. Je bent de waarneming van het rijzen en dalen kwijtgeraakt, en je denkt dat er iets verkeerd is gegaan, dat er iets niet zo gaat als het zou moeten gaan. Je bent verward vanwege je ideeën over wat je zou moeten noteren. Je weet niet wat je moet noteren, je weet niet wat je moet benoemen. Je bent je waarneming kwijt geraakt. Normaal als je in het wereldse bewustzijn bent, probeer je je waarneming terug te krijgen. Je zoekt naar iets wat bekend voor je is.

Gebeurt dit in vipassanā dan hou je op met noteren en benoemen. Op dat moment stop je het noteren en benoemen zoals je het gewend bent. Je blijft met je bewustzijn nauwkeurig bij wat je nu ziet in je situatie, met een zuiver bewustzijn: 'weten', 'weten,' 'zien', 'zien.'

Ook als er vreemde dingen met je gebeuren, zoals wanneer je je ziek voelt, of wanneer je je lichaam voelt verdwijnen, blijf je in het gewaar zijn van het zuivere bewustzijn. Dit wegvallen van het object, zoals bijvoorbeeld het rijzen en dalen van de buik, is wat we noemen het wegvallen van nāma en rūpa. Wat overblijft als geest en lichaam verdwenen zijn, is weten. Je herkent het verdwijnen met zuiver bewustzijn, er is geen zelf meer in dat bewustzijn.

Voor het verkrijgen van de verlichting is wát je hoort of wát je ziet niet belangrijk. Je blijft gewoon bij het gewaar zijn van wat je hoort of ziet en je verbreekt de band. Als er zuiver bewustzijn is, is er niets om bang voor te zijn, niets wat je mis kunt lopen, niets te verliezen: alleen maar 'weten'.

Wát weet je dan? Doet er niet toe, het is gewoon weten. Je hoeft niet iéts te weten.

Nogmaals, je wilt graag iets weten en dat is juist het probleem. Je wilt altijd méér weten, wat betekent dat je ego er voortdurend in zit. Om goed te mediteren moet je dus niets weten in je hoofd, uit je geheugen, uit je waarneming. Alleen maar de situatie, wat nu in je gewaarzijn komt. En ook het woord mijn moet verwijderd worden. Niet mijn gewaarzijn, maar gewoon gewaar zijn.

Als er waarneming is, is er geen wijsheid, geen verlicht moment. Als je volledige wijsheid verworven hebt hoef je er niets meer voor te doen. Het beteugelen van de zintuigen zoals ik dat eerder heb genoemd, is werk, is een belasting. Discipline betekent werken. Duizend keer, miljoenen keren noteren. Je moet eerst gewaar zijn, anders kun je je werk niet doen. En je moet hard werken hier in de retraite. Vanaf het moment dat je wakker wordt moet je aan de gang. Waarmee aan de gang? Aan de gang met dat je weet, dat je gewaar bent, dat je herkent zodat er geen onwetendheid is.

Totdat je het allemaal echt doet, en dan ben je klaar. Vanaf dan gebeurt het gewaar zijn geheel vanzelf, zonder dat je er iets van meeneemt, zonder dat je er nog pogingen voor onderneemt. Volmaakt. Niets meer om te proberen, niets meer om te vermijden, niets meer om weg te willen krijgen, niets meer om van weg te willen, niets meer om naar toe te gaan.

 

De reden waarom je hier moet werken in de retraite is omdat je gevoelens hebt. Zoals ik al zei: Iets krijgt pas zin omdat je gevoelens hebt. Gevoelens vertellen je dat er iets aanwezig is: je ruikt het, je hoort het of je ziet het. Daarom moet je werken: werken betekent noteren, benoemen, aanwezig zijn en de dingen die komen tot een einde brengen. Als je je gevoelens beëindigt maak je je vrij. Er is niets meer waar je aan hangt, niets meer waar je aan gebonden bent.

Het is mogelijk, maar je moet er hard voor werken. Ieder moment, vanaf het moment dat je opstaat is het nodig dat je heel precies hier en nu bent met de situatie. Dan heeft je meditatie succes.

 

Student: Soms ben ik zó moe, heb ik zó weinig energie. Wat moet ik doen? En andere keren heb ik zó veel energie dat ik niet weet wat ik moet doen met al die energie.

Mettavihari: Als je niet genoeg energie hebt, doe dan gewoon niets. En als je teveel energie hebt, doe dan ook niets. Jij, en niet alleen jij, de meesten van jullie zijn zo vreselijk fanatiek met de oefeningen. Sorry dat ik het zo moet zeggen.

Je moet lopen, je moet zitten, je moet het rijzen en dalen benoemen. Maar je kunt ook heel eenvoudig gewaar zijn in de vier voornaamste lichaamshoudingen, namelijk staan, zitten, lopen en liggen. Je hebt dus geen enkel excuus om niet te mediteren. Of je nu te weinig energie hebt of te veel energie, het is altijd tijd om te mediteren in de richting van vipassanā, tot het moment dat je in slaap valt. Op het moment dat je 's ochtends wakker wordt, begin je meteen, kijk je wat het eerst komt: inademen of uitademen. Voelen of je buik rijst of daalt, dat is het eerste wat je moet doen als je wakker wordt. Als je het zó doet, dan begin je vroeg met je werk, en dan kun je je werk ook vroeg beëindigen. Je kunt altijd mediteren in de vier voornaamste lichaamshoudingen. Je hebt genoeg werk te verzetten, je hoeft je niet te vervelen, en je hoeft je niet eenzaam te voelen.

Dus of je nu te weinig energie hebt of te veel, je gaat door met noteren en benoemen. Zonder voorkeur. Niet wachten tot je je beter voelt om dan verder te gaan met mediteren. Een tijd van 'je beter voelen' bestaat niet. Misschien voel je je nu beter, maar na vijf minuten verandert het weer en voel je je er niet meer goed bij.

Je wilt gaan bewegen, je wilt verandering, en dit gaat altijd maar door. Wacht dus niet, gebruik niet het excuus dat je je eerst beter moet voelen. In deze meditatie moet je je gevoelens meester worden, in plaats van je te laten bepalen door je gevoelens.

Hou er dus mee op om een slaaf te zijn van je gevoelens; wees eigen baas: een goede baas. Deze meditatie kan je sterk maken, vastberaden om te doen wat gedaan moet worden. Als je je voorneemt om iets te doen, dan kun je het ook. Dit zal je persoonlijkheid hervormen, en je meditatie succesvol maken. Maar we zijn menselijk, en nog niet verlicht. We zijn nog steeds overgeleverd aan wat men in de boeddhistische psychologie de vijf hindernissen noemt, die ons negatieve karakter of onze negatieve houding vormen.

 

We hebben sensueel verlangen, een diepgewortelde neiging in ons.

We hebben vijf vormen van verlangen: het verlangen om positieve beelden te hebben, om aangename geluiden te horen, we willen alleen maar lekkere geuren ruiken – geen slechte geur; proeven met de tong als we eten of drinken (we zijn altijd op zoek naar een fijnere smaak) en we houden alleen maar van aangenaam lichamelijk contact.

Als deze verlangens groot zijn, zijn ze een verstoring voor je. Ze verhinderen een goede concentratie, en ze verhinderen de voortgang van je inzicht. Maar als je opmerkzaam bent bij ieder zintuiglijk contact, als je iedere keer de vipassanā techniek gebruikt, ontkoppel je de zes zintuigen.

Er is dan geen verlangen meer en de hindernis is verwijderd.

De tweede hindernis is boosheid, irritatie of agressie. Dit is psychisch. Als je aan iets denkt wat je niet welgevallig is, veroorzaakt dat irritatie, reactie. Iedere keer dat je boos wordt of haatgevoelens hebt, verstoort dit je concentratie. Je verliest je kalmte, je bent niet meer in rust. Om te voorkomen dat deze negatieve krachten zich voordoen, moet je met opmerkzaamheid snel en vaardig zijn in het herkennen van het proces. Je hebt in je leven, in je verleden, veel haat en veel boosheid in je opgenomen, en nu komen ze veelvuldig terug in de retraite. Je moet in staat zijn om de wortel van de boosheid en de haat te verwijderen, niet om het te onderdrukken, en ook niet om ervan weg te vluchten. Je kunt geen goede meditatie hebben als je niet in staat bent je boosheid te herkennen. Als er helemaal geen boosheid meer is, dan ben je volmaakt verlicht.

Om de boosheid te verwijderen, moet je het eerst herkennen. Je moet ook je karakter kennen: word je gauw boos, vooral met pijn? Graaf in je eigen karakter: kun je de boosheid, de irritatie zien ten opzichte van de pijn? Als je dat ziet, stop dan met het benoemen van 'pijn' maar noteer of benoem 'boosheid', 'irritatie'. Boosheid vanwege de pijn kan soms sterker zijn dan de pijn zelf.

Benoem het juiste ding op het juiste moment. Noteer: 'irritatie' totdat je ziet dat de pijn er niet zo veel meer toe doet. Het pijnlijke gevoel kan je niet meer hinderen. Je blijft met concentratie, met opmerkzaamheid, maar zonder boosheid of kwaadwillendheid.

Je bent hier in de retraite zonder je vrienden of familie. Er is niemand waar je boos op kunt zijn, maar vaak ben je boos op jezelf. 'O, ik kan dit niet.' Dat betekent dat er boosheid is in jezelf, oorlog. Zodra je kwaadwillendheid herkent en begrijpt wat het is, kun je mededogen krijgen: met jezelf, met andere mensen, en ook met mensen die slechte dingen doen of slechte dingen tegen jou zeggen.

Als je begrijpt waarom ze het doen, dan heb je geen problemen meer, geen irritatie. Als er geen reactie komt op kwaadwillendheid en boosheid, is er geen gevecht. Er is dan geen oorlog mogelijk. Er is vrede.

We komen hier naar de retraite om te mediteren voor vrede, voor geluk. Dus als je de vrede wilt bewaren, begin dan eerst in jezelf, in je eigen geest. Dan pas kun je de rest van de wereld helpen.

Ik leg vaak de nadruk op kwaadwilligheid en boosheid omdat het iets is waar je doorheen moet. In de moderne geciviliseerde samenleving gaan de mensen niet meer naar een religieuze plek wanneer ze problemen hebben, maar ze gaan op zoek naar therapie. En ze zeggen dat een therapie goed is als deze je helpt om een uitweg te vinden voor je boosheid en je zorgen. Het helpt in de zin dat je krabt wanneer je jeuk hebt, zodat je je beter voelt. Meditatie is nu ook populair geworden. Je bent helemaal bij de tijd als je meditatie beoefent. Je moet hier héél voorzichtig mee zijn, omdat als je hierdoor meegesleurd wordt je juist dátgene mist waarom we mediteren.

In de meditatieretraite werken we niet aan de oppervlakte. We gaan dieper om de oorzaak van de onzuiverheden weg te nemen, de lelijkheid en de boosheid die alles verstoort. Een van de waardevolle resultaten van je meditatie is dat je kunt zien dat je beter in harmonie kunt leven met jezelf, zonder problemen.

De volgende hindernis is slaperigheid. Heel vaak ben je slaperig of suf. Zelfs net nadat je wakker wordt in de ochtend, nadat je vijf of zes uur hebt geslapen, wil je alweer terug naar bed. Waarom? Het geeft aan dat je nog steeds veel negativiteit in je hebt. Je moet harder werken om dit te verwijderen.

In het normale leven hebben we de gewoonte om lang te slapen. Het lichaam is hier in goede conditie, in goede gezondheid, maar de geest kan nog niet goed accepteren dat je genoeg hebt aan vijf of zes uur slaap.

Als je deze gewoonte van de geest, deze conditionering kunt verwijderen, dan voel je je niet meer slaperig. Als je wakker wordt zeg je tegen jezelf: 'Nu heb ik genoeg geslapen.' Zeg tegen de slaperigheid: 'Je moet wachten tot ik op z'n minst nog tien of twaalf uur heb gewerkt.' Probeer jezelf een heropvoeding te geven: je verandert je gedrag, en daarmee kun je deze hindernis verwijderen.

Bezorgdheid en rusteloosheid zijn ook hindernissen. Bezorgdheid is een gewoonte van je. Je maakt je altijd bezorgd om iets. Nu je hier in de retraite bent kun je deze bezorgdheid herkennen. En om te voorkomen dat je rusteloos bent heb je een zekere concentratie nodig. Concentratie kan deze hindernis verwijderen.

De laatste hindernis is twijfel. Vaak vraag je je af: 'Zal ik dit doen of niet?' Twijfel verstoort je handelen, je concentratie. Als je je iets gewaar wordt, noteer dat gewoon. Vraag je niets af, dan ga je niet twijfelen. Door twijfel ga je je teneergeslagen voelen, word je onhelder en raak je het zicht op de realiteit kwijt. We twijfelen omdat onze geest te traag is.

Als onze geest, ons bewustzijn, snel is, dan is het bewustzijn sterk gericht, en ziet het helder. Je moet in vipassanā dus erg snel zijn om op tijd te kunnen zijn. Je moet punctueel en snel zijn, zodat je nooit het object voor je meditatie mist met noteren en benoemen. Er is dan geen twijfel meer, niets meer om je af te vragen. Alle problemen zijn opgelost.

Al deze hindernissen moeten verwijderd worden. En als ze er niet meer zijn? Dan ben je verlicht. Dus als je verlicht wilt worden, verwijder ze dan. Denk niet dat het niet mogelijk is.