|
Vijfde
lazing Mettavihari
Bhikkhu 31
januari 2001 (Vertaling
Rien Loeffen) Het
is nu weer de tijd om te luisteren naar een uiteenzetting over de dhamma. Wat je hier hoort zijn
niet je eigen ervaringen, maar wel iets wat je kunt vergelijken met wat je
bij jezelf hebt gezien, wat verhelderend kan zijn voor je beoefening van
vipassanā-meditatie.
Je
hebt deze dagen vipassanā-meditatie beoefend, niet
samatha. Wanneer je samatha beoefent stel je belang in
het verkrijgen van een goed gevoel. Een goed gevoel geeft voorkeur. Het
maakt dat je een voorkeur hebt om ergens bij te zijn. In die voorkeur zit
ook verlangen en gehechtheid aan je zelf, gehechtheid aan wat jou
gelukkig maakt. Het
geluk dat je dan nastreeft is dan slechts zelf, of wat we ego noemen. In
de terminologie van vipassanā
noemen we dat sakkāya-ditthi,
het geloof in het zelf. Het geloof in iets waar je toe behoort, en wat je
voortdurend conditioneert. Vanwege die conditioneringen wordt alles
onzeker voor je. Je hebt geen garanties in je leven. Het maakt dat je bang
wordt dat je je zelf gaat verliezen. Het maakt dat je bang wordt dat het
niet zal blijven zoals het is, of bang dat je niet méér zult krijgen. Al
die angsten komen dan op en dat is je zelf. Om
vipassanā te beoefenen, moet je
je voorkeuren kwijtraken, en aan de andere kant het gevoel kwijtraken dat
je wilt ontsnappen aan iets, of dat je iets kwijt wilt. Het overkomt ons vaak dat we iets willen, of dat we iets kwijt willen.
Dit
is je geconditioneerdheid of sankhara. Wanneer je vipassanā beoefent, moet je de
drie kenmerken van sankhara
begrijpen. Het
eerste kenmerk is anicca, vergankelijkheid of
onzekerheid. Wat je voelt is slechts tijdelijk, het duurt niet lang, het
duurt niet eeuwig. Het verandert vanzelf, omdat het niet substantieel
is. Die verandering is het die je voortdurend doet lijden. Dat is
het
tweede
kenmerk,
dukkha of
lijden.
Je
verliest iets wat je graag hebt en dat maakt dat je lijdt. Of je wordt
geconfronteerd met iets wat je niet graag mag, en je lijdt. Het gebeurt
voortdurend hier in de retraite. Je
bent geconfronteerd met bepaalde herinneringen, emoties, iets wat je
overkomt zoals slecht karma.
Het kan lichamelijke aktiviteit zijn, praten of denken. Het maakt niet uit
welke aktiviteit. Het is ons overkomen in het verleden, in het proces van
samsāra, en het blijft
terugkomen. In de retraite komt het zelfs sterker terug, helderder en
heftiger dan in het dagelijkse leven. Dit
geeft aan dat je vooruitgaat in je meditatie. Je begint je eigen karma te herkennen. Wat je gedaan
hebt in het verleden hoort bij jou. Er is geen weg waarlangs je daaraan
kunt ontsnappen, geen plek waar je je kunt verschuilen, geen plek waar je
karma niet aanwezig is. En
alleen door de beoefening van vipassanā kun je leren je karma te zien. In
het begin van je meditatie bemerk je dat je genoeg concentratie hebt,
goede opmerkzaamheid en een goede energie. Maar nu na langer te hebben
gemediteerd, bemerk je dat het je zelfs niet meer mogelijk is om
gemakkelijk te zitten. Enige dagen geleden was de beoefening van meditatie
veel aangenamer. Nu, na tien dagen, ben je meer in kontakt met vipassanā, omdat je meer lijden
ervaart, meer pijn, meer dingen waar je liever niet bij was geweest. Dit
is het kenmerk van lijden. Tegelijkertijd
ben je niet in staat om die dingen te doen waarvan je geloofd hebt dat je
ze hier kunt verwezenlijken. En je bent niet in staat de dingen vast te
houden die je eerder hebt gerealiseerd. Dit is het derde kenmerk, anattā. Anattā betekent: er bestaat geen
zelf. Anicca betekent
vergankelijkheid, onzekerheid en geen veiligheid. Dukkha betekent dat er pijn is,
lichamelijk zowel als geestelijk. Soms
veroorzaakt een object van de geest pijn in je lichaam, wanneer je
herinnerd wordt aan dingen in het verleden. Je vindt het vervelend en je
voelt de pijn in je hart, of je krijgt hoofdpijn. Je
moet dan niet het object van de geest noteren, niet 'confrontatie', of
'vervelend vinden', maar eerst zeg je 'pijn', 'ik heb pijn in m'n hart'.
Na dit enige tijd te hebben benoemd, en het begint rustig te worden, ga je
verder met wat er verder volgt in het proces. Lijden
en verandering zijn een zuiverend proces. Pijn, lichamelijk of geestelijk,
is de bron van wijsheid, omdat het maakt dat je je zelf begrijpt. Heb je
echter niet genoeg concentratie, of ontbreekt het je aan discipline, dan
kun je je meditatie niet volhouden. Na
dit al vele dagen te hebben gedaan, al meer dan tien dagen nu, begin je
vertrouwen te krijgen, hoewel het in geen geval een comfortabel gevoel
geeft. Als mediteren je een comfortabel gevoel geeft, dan is dat het
zelf. Luister
nu goed. Al deze dagen voelde je je niet gemakkelijk, maar je moet
doorgaan met registreren en benoemen, en je meditatie voortzetten met
lopen en zitten. Doorgaan met lopen en zitten bewijst al dat je
vooruitgaat in je beoefening van meditatie. Dat je je niet goed voelt, of
je voelt je zelfs heel beroerd; dat is heel goed voor vipassanā. Het
gebeurt dat je ervaringen niet overeenkomen met wat je je van te voren
hebt voorgesteld, met wat je had verwacht. Je wilde gelukkig zijn. Je
wilde vrij zijn van je zelf. Vrij van de vijf groepen van bestaan:
lichaam, gevoel, waarneming, conditioneringen en werelds
bewustzijn. Maar
je hebt nu zelfs nog meer problemen. Problemen met gevoelens, problemen
met je lichaam, soms ook problemen met je oriëntatie, met je
waarneming. Het
is niet comfortabel. Soms lijkt het alsof je dronken bent, omdat je hoofd,
je perceptie niet juist werkt. Dit is op een gegeven moment het resultaat
van je meditatie. Wanneer
je een ongemakkelijke gevoel hebt valt het niet mee om de dingen te doen
op de manier zoals jij het wilt. Soms wil je je intellect gebruiken, maar
het werkt niet, of je probeert je iets te herinneren, maar het komt niet
op. En je begint te denken: 'Misschien word ik wel gek, er is iets heel
erg mis, er is geen zekerheid meer.' Op
het moment dat je voor jezelf herkent dat je je niet meer zeker voelt,
moet je dat registreren. Wanneer je dat niet registreert, verdwijn je nog
verder in dat gevoel. Je gewaar zijn dat je niet meer genoeg zekerheid
voelt, bewijst dat het zelf al kleiner geworden is. Het lijden is sterk en
het zelf is klein. Je bent in het geheel niet gelukkig. Het maakt dat je
ziet dat de vijf groepen van bestaan, die je met je meedraagt, gevaarlijk
zijn. Wij noemen ze duivels
(māra). Jij
bent een duivel: je lichaam is een duivel, je gevoel is een duivel, je
waarneming is een duivel, je conditionering is een duivel, je wereldse
bewustzijn is een duivel. Hoe
verschrikkelijk is het om naast een duivel te zitten. Het is als naast een
slang te moeten zitten die je voortdurend bijt. Het maakt niet uit hoe
goed je het doet. Je doet alles wat je kan. Je geeft hem eten en drinken,
tijd om te slapen, je houdt alles schoon, je doet van alles voor hem. Maar
wat je ook doet, het is niet goed. Daarom
noemen we dit khandha-māra, de
duivel van de vijf bestaansgroepen die jij met je meedraagt. Je moet je
bevrijden van je last. Zet hem neer en laat hem gaan. Hoe
meer je meditatie in de praktijk brengt, hoe meer je in het proces van
scheiden komt. Scheiding in wereldse zin klinkt heel negatief, maar in
bovenwerelds perspektief is scheiding heel positief. Scheiding van het
zelf. Aan een huwelijk maak je een einde, je gaat scheiden, omdat je een
pijnlijke situatie voortzet wanneer je het niet doet. Je gaf veel om je
zelf, om je ego, maar nu moet je een manier vinden om het kwijt te
raken. Ben
je je dit bewust in je meditatie, dan heb je al een bepaalde kennis of een
inzicht (vipassanā-ñāna). Je
bent in het proces van het hebben van angst, onzeker zijn en ongelukkig
zijn. Of soms voel je je slaperig. Na al deze meditatie voel je je suf, en
je bent niet meer in staat om te denken. Je wordt onverschillig wat
betreft je situatie. Het maakt niet uit wat er gebeurt, je geeft er niets
meer om. Alleen nog maar zitten en lopen, je hebt verder geen
verwachtingen meer. Dit is ook een kenmerk van vipassanā-ñāna. Of
je komt in een bepaalde concentratie en je wordt gelijkmoedig, je wordt
heel kalm. Sommige mediterenden voelen een één-zijn. Soms zit je in je
kamer op de vloer, maar je voelt de vloer niet. Je voelt dat alles met je
is verbonden. Alles in de ruimte is verbonden. Dit is een kenmerk van
gelijkmoedigheid en eveneens een kenmerk van vipassanā-ñāna. Je
moet de drie kenmerken altijd onder ogen zien. Vergankelijkheid,
lijden en geen-zelf. Niets is zeker en eigenlijk is er niets. Of het
was er, maar is nu verdwenen. Je voelt je niet gemakkelijk. Je wilt hier
onderuit komen door beoefening van vipassanā. Maar hoe? Je hebt de
juiste manier nog steeds niet gevonden. Je
moet geduld en discipline hebben om bij dingen te zijn die niet (voor) je
zelf zijn, en om ze te accepteren. Dingen die alleen maar zijn wat ze
zijn. Dingen nemen zoals ze zijn maakt het gemakkelijker voor je. Wanneer
je het wilt voor je zelf, op de manier waarop jij het wilt hebben, dan
wordt het gecompliceerd, ongemakkelijk en moeilijk en iedere keer een
probleem. In
de praktijk van je meditatiebeoefening herken je wat de weg is en wat niet
de weg is. Iedere keer weer moet je op de weg stappen. Je wordt steeds
meer ervaren met deze weg, en het geeft je vertrouwen in majjhima-patipadā, de
weg van het midden. En
wat is de weg van het midden? Het is de weg van het midden, wanneer je de
dingen neemt voor wat ze zijn. Dat
betekent juist begip - waar de weg mee begint - juiste intentie, de juiste
woorden, de juiste aktie, de juiste levenswijze (zijn bij wat er is), de
juiste inspanning, de juiste opmerkzaamheid en de juiste concentratie. Dat
is de weg, maar hoe die te bewandelen? Je
moet voortdurend pogen om te registreren. Iedere keer wanneer je het
object herkent is er juiste opmerkzaamheid. Hier en nu, op tijd en de
gehele tijd het juiste object op het juiste moment. Ieder registreren,
ieder benoemen is juiste concentratie. Het helpt. Het is de enig mogelijke
weg. De
weg van het achtvoudige pad is de weg naar de vrijheid. Bevrijding van het
voortdurend belaagd worden door de vijf groepen van bestaan. Dit is de
enige weg om te stoppen met het dragen van je last. Ik
wil het nog een keer zeggen: Wanneer je je ongemakkelijk voelt is dat goed
voor vipassanā. Voel je je goed
en comfortabel, dan is dat slecht voor vipassanā, maar het is goed voor
je ego. Goed voor je sakkāya-ditthi, voor je mening
over je zelf, voor je vasthouden aan je zelf. Wanneer
je gelukkig wilt zijn in deze retraite, zul je niets bereiken. Sorry dat
ik het zo moet zeggen. Wanneer je je niet gelukkig voelt, en ook niet
ongemakkelijk, maar je bent aanwezig terwijl je dingen ziet en herkent
Dat is
genoeg
Meer
hoef
je
niet
te
doen. Meer
methode heb je niet nodig voor deze meditatie. Wat je moet doen is
observeren zonder te interpreteren, zonder persoonlijke mening. Het proces
zien zoals het werkelijk is, zonder te vragen hoe en waarom. Nee,
geen vragen. Alleen maar zijn met wat er is, en het tegelijkertijd
registreren. Dat is meer dan genoeg. Wanneer je dit vaker
hebt gedaan, en je bent meer ervaren in de beoefening van je meditatie,
dan geeft het je een echte vrijheid, zonder belasting. Je krijgt op deze
manier een meer vanzelfsprekende opmerkzaamheid. Opmerkzaamheid
is niet iets waar je je mee belast. Wanneer je opmerkzaamheid gaat dragen,
verstoort het je meditatie. Wanneer je opmerkzaamheid niet met je
meedraagt, komt het vanzelf om op tijd en de gehele tijd het juiste object
te herkennen. Automatisch met het object is ook opmerkzaamheid
aanwezig. Bekommer
je er niet om wanneer er geen object is. Soms heb je dat probleem. Je
benoemt 'rijzen' en 'dalen', of je registreert, terwijl je verward bent
over wat het object is. Bekommer je er dan niet om. Laat het zo.
Registreer datgene wat er is op dit moment, wat je ziet in je zelf, wat je
zelf tegenkomt. Als je dát kunt, betekent het dat je al opmerkzaamheid
hebt. Sommige
mediterenden raken de weg kwijt. Na registreren en benoemen weet je
niet meer waar je aandacht op dat moment is. Het is een goed moment om de
weg kwijt te raken. Je kunt registreren en benoemen als 'verwarring', of
'niets zien'. Je ziet dat je niets ziet. Je begint suññatā of nibbāna te zien op deze manier.
Wanneer je jezelf met iets ziet, is dat niet goed, niet goed voor vipassanā. Het maakt je
afhankelijk. Je probleem is dat je je niet veilig voelt wanneer er niets
is. Je wilt altijd met iets zijn, dat is je probleem. Je moet dat voor
jezelf nagaan en dat iedere keer corrigeren. Wanneer
je niets hebt om bij te zijn, dan betekent dit dat je het zonder moet
doen. Durf je om zonder te zijn? Dat is het probleem. Ons
vastklampen
aan
ideeën,
creaties of
waarneming is
heel sterk.
Je
voelt je soms bang wanneer je niets hebt om bij te zijn. Het
is nodig dat je je innerlijke houding verandert: 'Wanneer ik met niets kan
zijn, dat is het beste. Wanneer ik niets zie, dan is het waar. Wanneer ik
niets begrijp, dat is de absolute waarheid.' Dit is een heel belangrijke
opmerking. Iedere keer moet je opnieuw bevestigen: 'Ik heb er helemaal
niets van begrepen, dat is de absolute waarheid.' Was er toch iets wat je
begreep, dan is het niet de waarheid, omdat het je afhankelijk maakt van
dat begrijpen. Wat ik nu zeg, is mijn ervaring. Soms kun je dat voor
jezelf ervaren. Soms
voel je dat je niet genoeg energie hebt. Je bent vermoeid of slaperig, of
je hebt niet de kracht. Ik wil je steunen, en het nog een keer vertellen:
Dit is vipassanā omdat het niet
comfortabel is. Vipassanā hoeft
niet comfortabel te zijn voor je ego of voor je zelf. Daarom moet je bij
je ongemakkelijke gevoelens blijven om vipassanā te doen. Natuurlijk
ga je terug naar het zelf wanneer je niet wilt. Terug naar je zelf,
zoekend naar je ego, naar je verknochtheden, naar je afhankelijkheid, naar
je complicaties, naar je conditioneringen, en er komt geen einde aan samsāra. Het is verschrikkelijk om
deze slang, een gifslang, rond je nek te dragen, terwijl hij je ieder
moment kan bijten. Wees dus zorgvuldig in je beoefening. |